poezie

Het leven dat ik had (levenslied)

Het leven dat ik had

Einstein, einstein
heb je weer aan het haargroeimiddel gezeten?
Of heeft Milosevic je gebeten?
Het leven is een kleine ramp

in het groot schema van het geweten
strompel maar naar de Lidl
voor je flesje haargroeimiddel
Einstein, ik ben het zat.

Was ik maar een populier.
Was ik maar ver weg van hier.
Voor je het weet ga het waaien, gaat
de zon weer in de kassa graaien.

Het leven dat ik had
krijgt zelfs een kogelstoter plat
Het leven dat ik had
krijgt zelfs een kogelstoter plat
Het leven dat ik had
krijgt een kogelstoter plat
Dat is het leven dat ik had.

Schaduw is de belasting van de zon.
Sta daar maar te schijnen, honnepon.
Hij schijnt dood te zijn. Dood en rijk.
Maar ik zie slijk, slijk, slijk. Jij won

in het groot schema van het geweten
aan mij heb je je ogen nooit versleten
Einstein, einstein, ik ben het spuugzat.
Als de wereld een IQ had was hij plat.

Martijn Benders, 23-05-2010

Het beestje bij zijn naam noemen

Men roept als sinds de jaren 60 dat poezie begrijpelijker moet worden voor jan met de pet. Talloze dichters hebben zich aan dat idee aangepast. En wat zien we? Er wordt juist nog minder poezie gelezen dan voorheen. Ergo, het is een enorme drogredenatie, feitelijk dezelfde redenatie die ervoor verantwoordelijk is dat kranten zichzelf de nek omgedraaid hebben. De krant werd meer en meer ‘dat wat het publiek wou lezen’ en uiteindelijk bleek dat publiek er gewoon niet te zijn. Wat een hemeltergend amateurisme. Visieloze flutfiguren die de boel naar de kloten helpen.

Poëzie werd in Nederland nooit veel gelezen. Nooit. Er is geen enkele moment in onze geschiedenis aan te wijzen waarin poëzie een populariteitshausse doormaakte. En toch blijft dat gemekker maar aanduren: de poëzie moet veranderen, de poëzie moet dit, de poëzie moet dat. En niks maar dan ook niks heeft ooit een moer verschil gemaakt.

Een simpel rekensommetje is alles wat we nodig hebben. Hopelijk kunnen we het erover eens zijn dat, als 1 op de honderd mensen van poëzie houden, dat een behoorlijk hoge score is. Dat zou betekenen dat een miniem dorpje als mierlo, waar ik opgroeide, 100 poezieliefhebbers herbergt. Veel hoger dan dat lijkt me een onmogelijke score.

We hebben het dus over 1% poezieliefhebbers. Dat zijn op 16 miljoen mensen 160.000 mensen. Deel dat door de 150 bundels die er per jaar verschijnen en je zit op 1000 lezers per bundel.

Dat is zo’n beetje het maximale wat eruit te halen valt, naar mijn inschatting, behalve als je het aantal gepubliceerde bundels drastisch zou beperken. Dan zou je nog hetzelfde totaalaantal bedienen, maar met meer lezers per bundel. Voor uitgevers maakt het weinig verschil, de winst blijft hetzelfde.

Waar gaat dit gemekker dus wezenlijk over? Joost mag het weten. Pedagogisch gedoe van het type ‘managers’ die geen flauw benul van marktwerking hebben. Alsjeblieft zeg, mag het eens afgelopen zijn met dit gezanik, wanneer leren al die dichtertjes en uitgevertjes eindelijk eens dat Nederland gewoon een kleine markt is? Emigreer naar Oost Europa als je dat niet zint, naar verluidt is dat de beste poëziemarkt ter wereld.

Wat heb ik een hekel aan al die gespeelde naieviteit, aan dat idee van de ‘Goede Lezer’ die achter de bosjes ligt te wachten tot de poëzie eindelijk zichzelf eens leert te gedragen volgens de gemiddelde ROC sociologenleer. Hoe benepen moet je zijn om in dit soort marketinghossana’s te geloven? Hoe onbeschrijfelijk pedant moet je zijn om ook maar een moment het duidelijk resultaat van dit soort roze-brillen fetishisme te veronachtzamen? De NY times staat inmiddels op instorten. Geen enkele Nederlandse krant is nog in Nederlands bezit. De poëzie verkoopt zoals zij altijd al is verkocht: matig, maar gestaag. Laten we het alsjeblieft over iets inhoudelijks gaan hebben.

Poëzie als tegengif tegen de inertia van de geest

Op de Contrabas laat ene ‘Frits Criens’ ons middels de volgende strofe uit een zeer conventioneel werkje weten dat hij niets van massamoordenaars begrijpt:

Wat men te berde brengt, is vast wel waar
En stellig, schutter, zat je vol frustratie
Vol onbegrepen woede, agitatie
Maar waarom werd je massamoordenaar

Jeroen van Rooij reageert verontwaardigd op dit gedicht. Terecht, want het is immers de taak van een dichter de massamoordenaar nu juist wél te begrijpen. Ik noemde dit een gedicht geschreven vanuit een vileine peperkoekmoraal, juist omdat het geen enkele poging waagt het fenomeen ‘massamoordenaar’ te begrijpen. Buiten het feit om dat dit een slecht gedicht is, is het ook een gedicht wat feitelijk niets doet dan de bestaande werkelijkheid kritiekloos overnemen. Verwoorden wat de bekende Jan met de Pet ook denkt. Ja, daar snappen wij niks van. En dan schrijven we gedichtjes waaruit blijkt dat wij daar niks van snappen.

Vergelijk dat met iemand als de Hongaarse dichter Pilinszky, die zich in zijn poëzie verzelvigde met kampbeulen, kinderverkrachters en moordenaars. Niet om hen vanuit morele optiek te veroordelen, maar om hen tot in hun wezen te doorgronden, om tot de essentie van hun wezen door te dringen. In zijn gedicht ‘Zonde’ leeft hij zich als dichter totaal in in een kinderverkrachter en moordenaar.

De menigte van mijn verloren jaren
stort zich gierig op je lichaam,
een massa uitgehongerde stokken
willen je overmeesteren.
Mijn nachten! Het geroer der nachten
permanent rijp en bevend,
alles haalt nu naar je uit alsof
je maar een stuk brood bent.

Ze breken je jonge broze vuistjes
en halen je ribben neer,
het genot dat ze in mij nooit vonden
zoeken ze nu in jou, geen wonder:
ze zoeken hun verloren kindertijd
de vergeten en stralender jeugd.
Ze kleden je uit en smijten je weg
als een lege, opengescheurde zak.

Dat is literatuur. Hier doet iemand een poging het ondoorgrondelijke te doorgronden, verder te kijken dan zijn neus lang is. Het gedicht bevat geen moreel oordeel, het is geen zedenlesje voor de perfecte burger, het is een monument voor het inlevingsvermogen en probeert iets te doen wat de maatschappij altijd nalaat: vat krijgen op de werkelijkheid van de situatie. Want wat is daar nu echt aan de hand? Het gedicht vervolgt:

Is dit wat er nog van je rest voor mij?
Ik bekijk je verbaasd om te zien waar
je schouders zijn, die mooie schouders
al was het maar een vluchtig spoor ervan.
Mijn handen trillen van verlies
in de leegte van de stille lucht.
Ben jij degene die vermoord is en ik,
ben ik nou echt je moordenaar?

Pilinszky zet hier dus een kindermoordenaar en verkrachter neer die zijn daad daadwerkelijk uit liefde begaat. Dat idee is voor het gangbare moralisme uiteraard uit den boze, het moet ondenkbaar zijn dat men zo’n daad uit liefde begaat. Het thema van het zoeken naar de verloren jeugd, naar de graal, zit mooi in het gedicht verwerkt en er wordt mooi beschreven hoe iemand door zijn duistere kant, door het ‘geroer der nachten’, wordt overmeesterd. Interessant is dat deze duistere kant in meervoud wordt aangeduidt. Alsof er een hele lynchende menigte plots bezit van je neemt. Wat dit gedicht feitelijk doet is laten zien dat de moordenaar net zo goed slachtoffer is, dat beiden met elkaar uitwisselbaar zijn. Daarom eindigt het gedicht ook met de vraag, wie is er nu vermoord, jij of ik?

Janos Pilinszky

De hongaarse dichter Janos Pilinszky

De functie van poëzie kan nooit het verwoorden van gangbaar moralisme zijn, omdat het simpelweg niet artistiek is de bestaande realiteit kritiekloos te weerspiegelen. Dichters moeten veel verder gaan dan andere mensen durven gaan in hun inlevingsvermogen. Het is juist aan hun ons zicht te bieden op verborgen werelden, werelden die voor het doffe oog van de alledaagse werkelijkheid verborgen blijven. Niet als waarschuwing, nee: als tegengif tegen de inertia van de menselijke geest, die graag de meest voor de hand liggende verklaring als werkelijkheid aanneemt. Die erg graag dingen gewoon niet begrijpt, omdat dat nu eenmaal veel makkelijker is. Iets niet begrijpen vergt geen enkele inspanning. Juist de poëzie moet zich aan dat soort inertia, welke feitelijk de oorzaak van dit soort fenomenen is, weten onttrekken.

What the hell is going on

De Taliban, die wij al kenden van het geweldige idee gigantische antieke boeddhabeelden op te blazen, hebben een nieuw doelwit ontdekt: de graftombes van Soefische dichters. De 17e eeuwse Soefische dichter Rahman Baba heilige tombe werd door de heren opgeblazen omdat er af en toe vrouwen bloemen kwamen leggen, en dat leidt natuurlijk alleen tot onzedelijk gedrag.

Lees het artikel

Aan de andere kant van het hek krijgt de ‘Held’ Sully, de piloot die laatst een vliegtuig op de Hudson landde, anderhalf miljoen dollar voor het uitgeven van een dichtbundel met zijn favoriete gedichten:

Lees het artikel

Ondertussen duiken overal maniakken op die een nieuw cultureel fenomeen inluiden, het afschieten van zoveel mogelijk mensen voor je zelfmoord pleegt. Uiteraard wordt de link weer direct gelegd met gewelddadige videogames, en niet bijvoorbeeld met de geestdodende drugs die dat soort lui bij bosjes van mijnheer de psychiater moeten slikken omdat dat zo lekker winstgevend is.

Het vreemde is natuurlijk dat je als buitenstaander niet meer weet met wie je moet symphatiseren: met de barbaren die het graf van een dichter opblazen of met de barbaren die met miljoenen smijten om slechte poëzie te promoten. Is dit nu The War Against Poetry waarbij wij van beide kanten onder vuur liggen? Wat is er in vredesnaam loos in de wereld?

Geen zinnig mens zou het in zijn hoofd halen een graf op te blazen, een miljoen voor slechte poezie uit te geven of lukraak mensen van het leven te beroven. U mag mij een complottist noemen, maar deelde de CIA een tijd geleden geen VIAGRA aan Talebanleiders uit? Zouden er pilletjes bestaan die slechte poëzie genietbaar maken? Ik vrees het ergste voor deze verknipte maatschappij. Weg met de heerschappij der zielenknijpers:

Bekijk deze docu over zieleknijperij

Zomer

Aangezien de eer om aan Loewak bij te dragen mij slechts zeer recentelijk te beurt is gevallen, behoeft het hier misschien enige introductie omtrent mijn persoon. Ik ben een reizende schrijver-filosoof en bevind me op dit moment beneden de evenaar, hetgeen ik graag met een kort gedicht over de zomer illustreer.

Wij: laverend over uitgebluste vulkanen
grote steenovens volgeblakerd
lava-afdaken boven de loomte onderaan
door weiden volgedragen met voordorre brandnetelkragen
ze reiken overal, en hoor het rijke zoemen
van onttoverde insecten die zwermen
bij de waterspiegel, hoor het liefgekoosde
broze okergezicht vol schaduwbladeren verlangend bovengronds
en aanstonds opgeheven, zie hoe de
halmen beven, hoe gondels van beweging
zachte tekenen dwars over het zinderende land spreiden
waar de wandelpaden zich verstrikken
als ze lang zich uitstrekken onder het gegons
waar verlaten erven vervoeren naar de oogsttijd
klaprozen hangen hun rood nog in de velden
achter de braamstruiken verstopt een paartje zijn naaktheid
tikkend en kwetterend kruipen langs
schaduwwanden van halforanje pleisterwerk
torren en klaprozen en kevers en bosframbozen
ze wijken niet voor rijke, betekenende verledens
het is zomer:
als een processie zonder voorganger verstrijkt de tijd

Dilemma

De meeste poëzie die in Nederland wordt aangeprezen door een zgn. ‘goegemeente’ vind ik doorgaans slecht. De meeste recensenten en critici vind ik ook geen knip voor de neus waard. Ik vind eigenlijk in Nederland alleen Buelens wel een goed criticus. Qua recensenten vind ik een paar mensen wel aardig, maar niemand echt uitblinken.

Dat betekent dus dat mijn referentiekader en mijn consensus een hele andere zijn dan de gangbare. Ik ben het bijna nooit eens met de waardeoordelen die in de Nederlandse poëziewereld prevaleren. Het verbaasde me dan ook niet te horen dat ‘Karavanserai’ slechts eenmaal werd genoemd in die ‘criticilijst’ die elk jaar in Januari op in Letterland verschijnt, zo ook dit jaar.

Mijn andere twee favoriete Nederlandstalige bundels van dit jaar kwamen welgeteld ook eenmaal en helemaal niet in die lijstjes terug.

Nu heb ik natuurlijk met Karavanserai een hoop fantastische reacties mogen krijgen, van mensen die oprecht de bundel heel goed vonden. Ook werd de bundel behoorlijk positief besproken, o.a. door Fagel en Lindner.

Het dilemma wat dit allemaal oproept is een lastig dilemma: eigenlijk wil ik het liefst zo weinig mogelijk met dat ‘wereldje’ van consensuspapagaaien te maken hebben, wat mij sterk in de richting duwt van het idee voortaan in het Engels te gaan schrijven. Tegelijkertijd weet je ook dat je, als je in het Engels gaat schrijven, je nooit op de top van je kunnen zult kunnen schrijven. Een vervelend dilemma! Er zitten heel veel kanten aan die keuze, namenlijk. Om er een paar te noemen:

1) Gros van mijn vrienden beheerst het Nederlands niet wat het minder leuk maakt in het Nederlands te schrijven

2) Mijn dochter zal waarschijnlijk geen Nederlands kunnen lezen later, wat ook jammer is.

3) Ik ben geen structuralist dus minder taalafhankelijk.

Ik denk er dus nog eens over na of ik wel met een tweede Nederlandse bundel WIL komen – ik heb inmiddels al wel een intentieverklaring van NA dus ik kan er zo een uitgeven, maar ik vind dit een ideologische keuze, geen praktische.

De nieuwe Benders



'Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem' heet de nieuwe dichtbundel van Martijn Benders.

Hoe het kan dat één ongeordende, doorgaande stroom gedichten, op het oog zonder plan of doel, opbouw of richting geschreven, zo kan fascineren is lastig
uit te leggen.


Abe de Vries, De Contrabas

Lees de recensie

Koop de bundel nu!