Het ultieme icoon van de gekwelde dichter
Ik ben een fervent tegenstander van voorlezen, maar voordragen daarentegen vind ik een kunstvorm op zichzelf. De ultieme meester in het voordragen van poezie was uiteraard Dylan Thomas. Ik heb na hem geen enkele dichter meer gehoord die zijn performances weet te benaderen – hoewel ik geen groot fan van Pound ben, in wiens werk ik een soort fopintellectualisme ontwaar (hoewel je in zijn enorme geldingsdrang wellicht ook een voorloper van het postmodernisme kunt zien – het gedicht als boekenkast) – waren de voordrachten van Pound juist weer erg bijzonder; niet zozeer omdat ze perse zo goed waren maar juist omdat er zo’n enorme lading op lag: Pound is het ultieme icoon van de gekwelde dichter als banneling, terwijl Eliot eigenlijk het ultieme icoon van de gekwelde dichter als bureaucraat is. Ik zie tussen deze beiden een soort polariteit van miskenning spelen: Pound, het eeuwige onbegrepen genie en Eliot, het roepende genie uit een woestenij van boeken. Als ik de drie belangrijkste Amerikaanse dichters van de 20e eeuw zou moeten benoemen zijn dat voor mij Pound, Eliot en Williams. Niet omdat ik dat ook de beste dichters vind – ik hou niet zo van Pound, ben een groot fan van Williams en een beperkt liefhebber van Eliot, maar deze drie hebben voor mij de grootste iconiclastische lading. Dat is eigenlijk ook een soort voordracht, maar dan in het metafysieke.
Commentaar