Recensie: Peter Verhelst, Zoo van het denken
Vier jaar na het verschijnen van zijn misschien wel beste bundel ‘Nieuwe Sterrenbeelden’ komt Peter Verhelst met de bundel ‘Zoo van het Denken’ en het eerste wat me opvalt is dat het boek qua vormgeving, afmetingen en formaat precies hetzelfde is als de voorganger. De bundel is ook precies even dik en heeft dezelfde conceptuele omslagbenadering met flappen. De gedichten volgen min of meer hetzelfde stramien, hoewel het iets minder chaotisch is en er wat meer conceptuele leidraad in de bundel zit.
Het lijkt er dus sterk op dat Verhelst het (relatieve) succes van Nieuwe Sterrenbeelden even dunnetjes wou overdoen. ‘Zoo van het Denken’ is echter een veel zwakkere bundel dan voorgaande. Een miskoop is het zeker niet, omdat Verhelst nog altijd wel de kracht heeft bijzondere scenes voor je ooglid te toveren, maar vooral als je niet te kritisch kijkt want ik betrapte mijzelf er regelmatig op dat gedichten ergernis bij me opriepen, niet op zijn minst het gedicht dat op de achterflap staat, dat eindigt met:
Hoe dieper we elkaar aankijken
des te beter voelen we
hoe we elkaar zijn
verloren.
En dan krijg je toch ineens de neiging die witruimte daar heel pedant en opdringerig te vinden. Dit is toch een ultiem flauwe truc, een oude truc, een truc die je bij een amateurgoochelaar verwacht? Zo’n man die na een lange stilte een bosje bloemen tevoorschijn trekt?
Door de hele bundel heen probeert Verhelst door allerlei rationele bezweringen heen die suggestie van seksuele gevoeligheid nogal politiek aan de man te brengen. In Nieuwe Sterrenbeelden werkte dat nog, omdat hij het met een zekere scherpte en finesse deed, maar ‘Zoo van het Denken’ staat vol met formuleringen die allesbehalve scherpzinnig zijn. Laat ik er een handjevol citeren:
Dit is alles
wat je dacht
te weten
en dat is waar
het op aankomt.
Er is geen plek
zoals thuis. En dat
is thuis.
Goh, denk je dan. Tja. Het is natuurlijk een vervolg op de stortvloed beelden die als ‘Adder van Palestina’ op ons af kwam kronkelen. Maar het zegt zo bar weinig, en wat zou mij het dat er na een stortvloed het niets is?
Die stortvloed zelf zit ook vol nogal bedenkelijke formuleringen:
We likken de onderarmen. We trillen. We liggen
enkele meters van elkaar in de schaduw van een rots
waar het te stil is om waar te zijn. Het is een lange weg naar huis.
De hete wind komt in alle hevigheid op, blaast ons droog,
blaast ons bloot.
Tja. Goh. Blootgeblazen in de woestijn van Palestina. Deze combinatie van kitscherige erotiek en politiek doet me een beetje denken qua sfeer aan de film ‘Antichrist’ van von Trier en ik heb het donkerbruine vermoeden dat Verhelst dat een goede film zou vinden. Wellicht komen ook daarom referenties terug naar ‘Het Beest’ en is dit Bestiarium van onscherpe surrealistische observatieflarden bedoeld als een soort ode aan die film? Dat zou me niets verbazen. Had die sensatiedrang in ‘Nieuwe Sterrenbeelden’ nog iets urgents, in ‘Zoo van het Denken’ herinnert niets je aan enige noodzaak en voelt bijna elk gedicht aan als overbodig. Het is alsof ‘Nieuwe Sterrenbeelden’ in de hitte van een scheiding werd geschreven en ‘Zoo van het denken’ een poging van Verhelst is in de dierentuin een andere partner te vinden. Wie erotiek, dieren en politiek zo achteloos mengt vraagt mijns inziens om zulke vergelijkingen.
Maar wat de bundel echt de nek omdraait is het gebrek aan scherpte:
Dit is de zoo
van het denken: de sneeuwuil tekent in de lucht
een geometrisch lichaam, de contouren van een kooi
om eindelijk tot rust, in zijn veren verzonken, onmogelijk
van sneeuwvlokken te onderscheiden, de kop om de as te wentelen
als wil hij zichzelf de nek omdraaien.
Nee, Verhelst heeft ergens last van – ‘Zoo van het Denken’ bevat ook hele mooie beelden, maar die zijn veel te fragmentarisch, te spaarzaam, en te opzichtig in een veel te rationeel stramien ingekaderd. Jammer, maar tot een andere conclusie kon ik niet komen. In de ‘Zoo van het denken’ jongleert de opzichter met kletsende biefstukken maar zitten de meeste dieren tamelijk verveeld voor zich uit te staren.
Martijn Benders – Istanbul, 29-06-2011
Gratis recensie exemplaar nieuwe bundel
Uitgeverij Loewak geeft 5 gratis recensie exemplaren weg van de bundel ‘Wat koop ik voor je donkerwilde machten, Willem’ aan mensen die op een weblog, in een krantenrubriek, een tijdschrift of andersoortig medium een stuk over de bundel willen schrijven.
‘Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem’ is de tweede dichtbundel van de in Istanbul wonende dichter Martijn Benders. Zijn eerste bundel ‘Karavanserai’ werd zeer positief ontvangen en onder andere genomineerd voor de Buddingh prijs.
Rob Schouten: De leukste thuis
In de Awater van dit najaar een korte recensie van Karavanserai van de hand van Rob Schouten, die, ontegenzeggenlijk de druk van veertig jaar journalistieke ervaring op zijn schouders voelende, de bijzonder spitsvondige suggestie doet dat mijn overgewicht zich laat vertalen naar de afmetingen van mijn bundel. ‘Poezie Obesitas’ heet zijn stukje en het centreert zich, naast de hem gebruikelijke ‘leukste thuis’ mimiek, rond het oneigenlijke argument dat het allemaal te dik, teveel, te overvloedig is.
Waarom vind ik dat een oneigenlijk argument? Omdat ik met Karavanserai nu juist iets wilds en visionairs neer wou zetten wat zich nu juist eens niet netjes binnen de perken hield, zoals het gros van de Nederlandse poezie meestal doet. Om dan de uitbundigheid of afmetingen als contra-argument op te voeren: dat vind ik geen kritiek, dat vind ik pure gemakzucht, net zoals ik ‘Maradonna, het is een prima voetballer maar hij zou niet zoveel moeten pingelen’ geen voetbalkritiek vind maar een idiote opmerking.
Een van mijn favoriete kunstenaars momenteel is Fred Tomaselli. Ik kan me al zeer levendig inbeelden wat de heren Critici bij zijn werk zouden gaan schrijven:
‘Ja, een talentvolle man die Tomaselli maar zijn werk is wel erg druk. Moet dat nou, al die uitbundige kleurtjes en gepriegel? Dat schrikt mij als kijker toch wel een beetje af’
Dit soort hersenloos popi-jopi gebazel kun je natuurlijk ‘kunstkritiek’ noemen. Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt als ik daar zelf anders over denk.
Ik ergerde mij eerder al aan Schouten door zijn volstrekt zouteloze recensie van ’4 zinnen’ van Samuel Vriezen. Mijn recencie is, hoewel positief bedoeld, al even irritant. Jammer, want het gaat er steeds meer op lijken dat Awater eigenlijk het beste argument is tegen de invloed van Komrij op de Nederlandse poezie. Maar goed, ik hou zowiso niet van ‘clubjes’.
Recensie Jan Lauwereyns ‘Vloeistof en Welvaart’
Op de Recensent van deze week een recensie van mij van de bundel ‘Vloeistof en Welvaart’ van Jan Lauwereyns:
Het lezen van deze bundel van Lauwereyns volgt ongeveer hetzelfde proces: het is alsof je naar het geroezemoes van mensen zit te luisteren terwijl op de achtergrond, een moment terug, een atoombom ontploft is. Dat geeft het geroezemoes een dreigende, ja, wellicht zelfs irritante ondertoon. Je leest de gedichten en continu heb je het gevoel dat op de achtergrond iets veel belangrijkers gebeurt, iets wat de dichter nalaat bij de naam te noemen. Je zou dus kunnen stellen dat in deze bundel van Lauwereyns de formule van de voorgrondruis prevaleert. Dat is natuurlijk een eigenaardige manier van poëzie schrijven. Het heeft wel iets weg van een Lynch film: je voelt een constante dreiging op de achtergrond, waardoor een alledaags gesprek plotseling veel vreemder aanvoelt.
Recensie Miroslav Holub
Vandaag in de Recensent, mijn recensie van het boek ‘ De Geboorte van Sisyphus’ van Miroslav Holub, recent verschenen bij de Bezige Bij:
Commentaar