Surrogaatpoezie: Tongebreek van Breukers
Aan slechte poezie heb ik geen hekel, net als ik geen hekel heb aan slechte films. Die kijk ik gewoon niet. Ze zijn makkelijk te vermijden, aan de titel en de beschrijving zie je meestal al dat het de zoveelste formulistische torture porno is die zo de prullenbak in kan.
Waar ik wel een hekel aan heb is surrogaatpoezie. Dat zijn gedichten die veelvuldig gebruik maken van het stijlmiddel van de suggestie, zozeer zelfs dat hele gedichten puur en alleen uit suggestie bestaan. Er is geen concept, er is geen plot, er is geen spanning: nee, er is alleen de suggestie van een concept, de suggestie van een plot, de suggestie van spanning. Surrogaatpoezie, dus.
Dat is geen poezie die perse iemand nadoet. Je kunt volstrekt authentieke surrogaatpoezie schrijven zonder een enkele dichter als voorbeeld te hebben. Bij surrogaatpoezie draait het erom dat het poetische zelf puur en alleen uit suggestie bestaat: geen lichamelijkheid, geen diepte: slechts een oppervlakkig bundeltje verwijzingen en suggesties als poetica.
Een voorbeeld. De nieuwe dichtbundel van Chretien Breukers. Zoals u weet mag ik de man niet, dus neemt u mijn woorden vooral niet als objectief aan (en ik zal zijn bundel verder ook niet bespreken) maar zijn schrijfstijl is precies wat ik bedoel als ik het heb over surrogaatpoezie. Neem het titelgedicht: ‘Tongebreek’:
Tongebreek
Wij konden ons verstaan. Wij stemden met ons in.
Toen brak van één de tong. Hem sloeg de taal uiteen.
De titel (tongebreek) wordt in regel twee van het gedicht al weer letterlijk herhaald, zonder dat dit enige toegevoegde waarde heeft. Een zalvend, walmend ‘wij’ toontje wordt aangeslagen. Let ook op de slechte dubbelrijm in regel twee: (‘van een – uiteen’)
Het was een stille dag. Wij wisten het nog niet.
Het was een stille dag, maar desondanks werden wij door de taal uiteen geslagen, maar we wisten het nog niet.
Wij zouden snel verspreid. Wij zouden ruw verstrooid.
Wij zouden wel eens willen weten waarom deze afschuwelijk drammerige, suggestieve zinnen voor poezie zouden moeten doorgaan.
Wij zouden weg van huis en haard. Onze vaders
achterlatend naar een verre streek. Zonder naam
Zou u ook wel eens weg van huis en haard, uw vader achterlatend
naar een verre streek? Zonder naam, nog wel?
en met een dikke strot. Mompel klonk voortdurend
om ons heen. Gelach. Geklaag. Gebed. Geteem.
Zonder naam, met een dikke strot, zouden wij van huis
en haard, met mompel om ons heen en geteem.
Mozeskriebel, wat een suggestieve rommel.
De wereld was zo groot. Wij werden her en der
gemoord. Geduld. Gehoord. Zij konden ons verstaan
Kunt u ons nog verstaan, of bent u ook gemoord?
en deden dat met harde hand. Of zacht. Of niet.
Enfin, het is eigenlijk te slecht om woorden aan vuil te maken. Maar zoals altijd zul je zien dat er lieden genoeg zijn die gaan roepen dat dit geweldige poezie is. Daar doe je niks aan. We leven in een tijd waarin de esthetica door verregaand propagandisering gecorrumpeerd is. Waarin de suggestie van een debat een debat moet heten, de suggestie van een verhaal een verhaal moet zijn: we leven in de tijd van het surrogaatdenken en de hapklare katholieke kletsmystiek van Breukers, die feitelijk niets omvat dan een besmuikt gemompeld aflaat aan het adres van de Kerk, dat is wat tegenwoordig poezie moet heten.
Commentaar