Gedicht 7 en 8 – Turing gedichtenwedstijd
In de commentaardraad van de website ‘Met het oog op morgen’ wijst iemand erop dat het gedicht ‘De Jas’ wel erg lijkt op een oud werk van Rutger Kopland, ‘Zijn jas’ uit ‘Het orgeltje van yesterday’:
Mijn vader J was nog maar net
gestorven toen mijn moeder A
zijn nieuwe regenjas voorzichtig
van de kapstok nam. Pas eens,
zei ze, hij was er zo trots op.
Daar stond ik dan en voelde
aan de mouwen en bij het sluiten
van de knopen hoe dood hij was
en hoe ver weg mijn jeugd. Oud
en zwak zou ik worden, in deze
plooien zou mijn huid gaan hangen
om mijn knoken.
Wellicht is het een hommage, maar als gedicht dus niet bijster origineel. Inmiddels zijn gedicht zeven en acht gepost, ‘Een tik van Hogerhand’ en ‘Hoeksteen’:
‘Een tik van Hogerhand’ is een prachttitel, maar helaas blijft het bij een prachttitel, het gedicht zelf slaat de titel volledig dood door geen spoor van ironie aan de titel te verlenen. De opening:
Zij kreeg een tik van hogerhand
en zit nu half in een stoel, die zelden
rijdt.
irriteert me meteen al: wat is in godsnaam ‘half in een stoel zitten’ en waarom ‘zelden rijdt’ – de suggestie van een rolstoel na een ‘tik van hogerhand’ is toch al sentimenteel genoeg, moet je nu ook nog suggereren dat die rolstoel oncomfortabel zit en last heeft van blokkerende wielen? Dat iemand een ziekte als een straf van god wil omschrijven, dat vind ik al niet bijzonder interessant, maar om zo’n beeld vervolgens middels overdrijving nog aan te dikken met twee onwaarschijnlijke feiten – niet alleen in een rolstoel zitten, maar ook nog er half uitzakken en bovendien de rolstoel niet kunnen bedienen – sterk het beeld van verlamming oproepende, maar:
Een wereld van weten sterft achter haar
belangeloze blik
Weer een overdrijving er bovenop. De persoon is niet alleen totaal verlamd, maar heeft ook nog eens alzheimer.
Desondanks weet zij of hij wel flink te genieten van een dagje uit. Maar ja, Een totaal verlamde alzheimer patient in een rolstoel, omschrijf dat maar eens als een ‘tik van hogerhand’. Dan lijkt me ‘mokerslag’ meer op zijn plaats.
Gedicht acht, hoeksteen, is gelukkig minder overdreven sentimenteel. Het is geen geweldig gedicht, het heeft teveel problematische constructies. Begint al in regel twee:
In de nieuwbouwwijk
regent het vitrages
voor rechtgeaarde vensters
en wordt het huis bewaakt
door ganzen met een strik.
Regel 2 en 3: zonde, zonde. ‘Het regent vitrages voor rechtgeaarde vensters’ is een spuuglelijke metafoor, alweer wegens hetzelfde mankement als het vorige gedicht: een dubbele overdrijving in een enkele constructie. Dat vensters rechtgeaard kunnen zijn, daar kan ik wegens de dubbele betekenis van ‘aarden’ nog wel iets mee, hoewel ik het geen mooie metafoor vind, maar dat ‘voor die rechtgeaardheid vitrages uit de lucht regenen’ kom even, dat is volkssurrealisme van de meest clownesque soort.
Na acht gedichten zitten we dus met probleem: de beste kandidaat tot nu toe blijkt een kloon (of een hommage, zo u wilt), er zitten twee gigantische clichetrekkers tussen en de rest bestaat uit pseudowerkjes.
Zou ik nu moeten kiezen geef mij dan maar het gedicht: ‘zonder titel’ met die god met breipennen, dat gedicht was tenminste leuk om te lezen/horen.

Commentaar