Posts Tagged ‘Poezie’
Kort nieuws
In de groene amsterdammer van deze week is een recensie te lezen van Erik Lindner over Karavanserai, ik heb twee of drie citaten op de perspagina van martijnbenders.nl gezet.
Ik ga Loewak binnenkort anders indelen. Het engelse en nederlandse deel worden gescheiden en krijgen hun eigen adres en ook medewerkers. Verder komen er een aantal subsites onder loewak te hangen met hun eigen CMS – op die manier hoop ik van Loewak een soort cultureel knooppunt te maken.
Nog meer nieuws: na jaren afwezigheid keer ik terug bij de Recensent als poezierecensent. Over een tijdje zijn daar weer recensies van mijn hand te lezen, dus. Nieuwe boeken zijn nog onderweg geloof ik.
Na een behoorlijk relaxte zomer, dit keer gelukkig zonder 40 plus perikelen, ben ik weer hard aan het werk gegaan. De tot nu toe behoorlijk positieve receptie van Karavanserai vraagt natuurlijk om meer maar het is even de vraag in welke vormen ik dat ga gieten. Ik werk aan een engelstalige bundel genaamd ‘eureka, a soap opera for a dirty world’ samen met de new yorkse kunstenaar joshua ray stephens, werk aan wat webprojecten, werk aan een nieuwe bundel die ‘salvia’ gaat heten en ben daarnaast nog van plan een roman te schrijven. Ik hou jullie op de hoogte!
Kort nieuws
Mijn eigen bundel wordt in de Groene Amsterdammer die op 15 augustus in de winkel ligt besproken door Erik Lindner. Ik heb die recensie al mogen lezen en het is een goede recensie geworden die zowel op de positieve als negatieve aspecten van de bundel ingaat. Later daarover meer.
Ik heb inmiddels trouwens besloten dat ik doorga met het schrijven van poezie. Ik wou dat namelijk af laten hangen van de ontvangst van de bundel; ik wil het soort zelfbedrog mijden welke iemand ertoe drijft zijn hele leven aan iets te wijden waarin hij slechts matig talent heeft, dus ik wou eerst eens zien wat de buitenwereld er eigenlijk van vindt. Het leven is te kort om het aan iets te verspillen wat niet gewaardeerd wordt, vind ik, daarom dacht ik ik laat het allemaal afhangen van wat voor reacties ik krijg. De reacties zijn tot nu toe echter zo positief en uitbundig dat ik me geroepen voel deze rare vloek die de poezie nou eenmaal is dan maar op me te nemen. Ik wil eenieder die tot nu toe de tijd nam mijn gedichten te bespreken daarvoor hartelijk danken.
Recensie: ‘Nieuwe Sterrenbeelden’ van Peter Verhelst

Afgelopen april, tegelijk met mijn bundel Karavanserai, kwam de nieuwe bundel van Peter Verhelst, ‘Nieuwe Sterrenbeelden’, uit bij uitgeverij Prometheus. Het is een dikke bundel geworden, mooi vormgegeven maar met een zachtpapieren kaft die helaas drie tochten naar het strand later al behoorlijk verfrommeld is. Niet erg rugzakproof, dus.
De bundel bevat losse gedichten en wat cycli zonder dat deze in hoofdstukken zijn gerangschikt. Ook moet ik opmerken dat ik het eerdere werk van Verhelst niet ken zodat ik niet in staat ben vergelijkingen te trekken. Nieuwe Sterrenbeelden is dus de eerste bundel van Verhelst die ik lees. In een interview met de Poeziekrant laat Verhelst weten te vinden dat hij altijd onterecht als postmodern in de boeken is weggeschreven. Nu is die classificatie ‘postmodern’ natuurlijk zowiso vrij vlak omdat technisch bezien alle poezie die na de jaren 50 geschreven is postmodern is. Ik kan me best voorstellen dat zo’n zouteloze beschrijving een serieus dichter geen plezier zal doen.
Het eerste wat me aan de gedichten van Verhelst opviel is het filmische karakter van zijn werk. Verhelst is een ongenaakbaar goede cameraman die snel, scherp en vol vaart beelden oproept met zijn woorden die lang in het hoofd nagalmen. Zijn gedichten zijn van een ontstellend direkte lichamelijkheid; steeds weer zoekt hij middels zijn gedichten de confrontatie op met het lichaam – vooral het lichaam van zijn geliefde en van zichzelf. Om een voorbeeld te geven van het filmische karakter van zijn werk, hier het gedicht ‘klein mogadishu’:
KLEIN MOGADISHU
Raar maar
waar is alles gebleven waar we van droomden – is alles uiteindelijk toch maar
een hoop vet van een stoel in een afvoergeul glijdend?
Uit de plooi in het normale puilt materie: vrouw
met de armen rond de buik geslagen, buiten zichzelf geschud
op de vloer van een bankkantoor. Erboven een hoofd, geduwd
in een Mickey Mouse-masker. De man heeft de loop afgezaagd
van de dingen: gulpende kern onder de handen van de vrouw,
knipperlichtogen, rode vinger op zoek naar de alarmknop.
Men beweert dat materie bestaat
uit leegte, als hij al bestaat. Of dat de dingen niets meer zijn
dan mogelijke bewegingen van het bewustzijn, neuronenwindingen
waaruit vonken opspatten.
Een tepel trekt samen op de borst
van de vrouw. Een vlek vormt een plas
kloppend als een kinderhart. Een vlies trekt over de leegte
onder de hand van de vrouw, verhardt
tot een ruggengraatje.
Misschien zijn we getuige, misschien medeplichtig,
misschien zijn we ons leven anders aan het dromen, maar we knielen bij de vrouw
als betuigen we eer aan een wonder. Hoofdje, schouders, materie
in onze handen. De glazige navelstreng. We voelen ons menselijk
Na de feiten trekt betekenis terug in de dingen. Het masker lost op
en de man loopt achterwaarts het bankkantoor uit. De plas kruipt
in de vloertegels. De vrouw komt moeizaam overeind. We rapen
een brandende sigaret van het trottoir en elke keer als we zuigen
wordt de sigaret langer. We stappen in een auto en rijden naar huis.
We worden liefdevol gekust
Niet langer dan een seconde zijn we ons
van geen kwaad bewust.
(Voetnoot: twee inspringingen in het gedicht overleefden de wordpress opmaak niet.)
Wat dit gedicht bijzonder maakt is niet dat het over een bankoverval gaat, zoals dat in eerste instantie lijkt. Ook niet dat Verhelst deze achterstevoren op de poeziespoel legt, wat een sterk vervreemdend effect heeft. Het gedicht moet wel over een gebeurtenis tijdens Operation Restore Hope in Somalie gaan, maar wat Verhelst hier doet is op een vreemde wijze geboorte en dood aan elkaar binden. Het is een heel spannend gedicht dat ook volledig tijdloos en apolitiek te lezen valt, hoewel het dan wel een betekenislaag verliest – De Mickey Mouse is uiteraard de Amerikaanse indringer. Verhelst vermengt in een enkel gedicht dus politiek engagement, filosofie, lichamelijke spanningsvelden en dat allemaal rijdend in zijn achteruit. De slotconclusie van het gedicht is prachtig. Wijst deze op de onontkoombaarheid van het lot?
Verhelst is een meesterlijk stilist. Zelden zag ik zulke met verve uitgevoerde minimalistisch-absurdistische themawisselingen als bijvoorbeeld in zijn cyclus ‘ kijken in de zon’. Een prachtreeks waarin Verhelst als een klassiek meesterschilder de contrastwerking van het licht op het liefdesleven neerzet. Zijn werk komt altijd terug op de confrontatie met de ander. Zijn werk is beladen met een vervreemdende, symbolistische erotiek. In elk van de gedichten in de lichtreeks, en misschien wel door de hele bundel, lijkt de geslachtsdaad ofwel de basis ofwel de uitkomst ofwel het motief van het gedicht. Verhelst weet echter deze lichamelijkheid op zeer eigen wijze uit te lichten, vaak met een klinische tragiek en met een pallet van perspectiefwisselingen en vervreemdend contrast. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘in het donker licht een lamp te branden’:
IN HET DONKER LIGT EEN LAMP TE BRANDEN
We wisten van het bestaan af
van de donkere kamer. Het was een kwestie
van juiste tijd en plek om elkaar te vinden. Stilte
en donker dat je zenuwen lamlegt. Geduld om hitte
tot ontwikkeling te laten komen. We waren op de hoogte
van de voorwaarden voor een gelukkig leven.
Met uitgestoken handen gingen we de kamer binnen. Na een tijd
leek het donker op marsepein, van binnenuit verlicht, maar
het gedroeg zich als een lichaam, met alle gevolgen van dien.
In de donkere kamer brandde een lamp
en die lamp waren wij: gloeidraad en glas, gas en oog
om traag in uit te doven, lang nadat we zullen zijn
verdwenen. En ooit, en ooit. en ooit, zongen we, jubelde het
ons de ogen uit. Nooit, nooit, nooit, echode het.
‘Nieuwe Sterrenbeelden’ is een bundel die volstaat met gedichten als deze, gedichten die op een fragiele wijze de hoop optekenen, de hoop op een oplossing, op een ontwikkeling uit die donkere kamer van de menselijke geest. Verhelst zoekt steeds middels de lichamelijkheid de confrontatie met de ander, omdat hij die hoop niet opgegeven heeft. Steeds weer voert hij in de deze vaak heftige confrontaties zachte, discordante elementen ten tonele als bijvoorbeeld de marsepein in bovenstaand gedicht. Verhelst schrijft eigenlijk schrijnend mooie, tragische en eigentijdse liefdespoezie.
‘Nieuwe Sterrenbeelden’ is een belangwekkende, volwassen en geraffineerde bundel die Verhelst als een van de belangrijkste dichters die het Nederlands taalgebied momenteel rijk is neerzet. Het is mijns inziens zeker een van de beste werken die afgelopen jaren zijn verschenen en de bundel zal hopelijk een groter publiek weten vinden.
De beste dichter van Nederland volgens Benders
U kent ze wel, die B-films die zo slecht zijn dat ze eigenlijk gewoon steengoed zijn geworden. Willem Adelaar is zo’n B-film. Ik heb hem slechts n keer zien optreden. Een kalende man in een vaal spijkerpak, die bij elk woordje over de microfoon heen glundert naar de 12 huisvrouwen die hem overal achterna reizen en bij elk woordje uit Adelaars mond geil aan hun parelkettinkjes trekken. Adelaar, de kwaaiste niet, geeft elk van hen een netjes afgemeten portie zelfgenoegen en torpedeert de arme vrouwen met de ene geniale inval na de andere. Leest u maar even mee:
Dit is door het latende kunnen
de wil die je uit zegt te geven
komt in een langs aan langs zijn
naar de beneden gerichte verwaaiing
Heeft u wel eens last van zo’n naar beneden gerichte verwaaiing? Die het latende kunnen wil zegt te gaan uitgeven? Langs aan langs nog wel? Nou, ik kan u verzekeren dat als u naar een optreden van Willem Adelaar gaat zulke naar beneden gerichte verwaaiingen u om de oren gaan vliegen. We lezen even verder:
onder beschutting daarin te laten
tegenover het door te vloeien
van slokkende berustbaarheid
Diep. Dit is diep. Heel diep. Je slokdarmen gaan ervan in de knoop zitten. De beschutting in regel 1 symboliseert natuurlijk die verwaaiing. Willem wil hiermee zeggen dat, hoezeer de boel ook aan het verwaaiien is, de zaak ook als beschutting kan worden ervaren tegenover het ‘doorvloeien’ van die, inderdaad, slokkende berustbaarheid. Ik voel hem. U ook? Sluit aan in de rij. Zijn spijkerpak begint nu pas warm te lopen:
mort zich door aan te dringen
het gescheelde uitdragende weten
blijkt ook het zicht te kerven
Dit is natuurlijk de dubbele bodem in het gedicht, de valkuil die Adelaar daar moedwillig eigenhandig met zijn grote sociologenhanden heeft ingegraven. Voelt u hem? Die mort, die zich, nadat hij de slokkende berustbaarheid heeft overwonnen, het gescheelde uitdragende ook blijkt het zicht te kerven? Kijk, poetisch is het natuurlijk niet, maar daar gaat het bij Adelaar niet om. Adelaar wil, net als zijn Duitse Bondgenoot, vooral glunderen. Gescheeld uitgedragen glunderen, met de ogen rondkervend door de beschutting van het kreunende publiek dat zo’n overdaad aan gevoel gewoon niet meer lijden kan. Adelaar gooit er nog een laatste strofe tegenaan:
de weersomzet tot duizelen brengt
geen uitstervende nog in bereik
noem jij mij de nabijheid
keer ik de uiterlijkheden.
Geloof mij maar, na zo’n gedicht moet je het oude taartenvet van de bierviltjes schrapen. Nee, Adelaar is dan wellicht de meest lachwekkende dichter van Nederland, maar dat past uiteraard prima in het rijtje meest lachwekkende MP, meest lachwekkende DDV, etc. Adelaar is gewoon onmisbaar en voor Nederland gewoon de beste dichter die momenteel voor handen is.
Het hele gedicht kunt u hier bij Mijnheer Vianen lezen.
Bankrekeningen zijn astronauten
Wij nomineren niets. Wij zijn de plakband feen. Pozie trekt ons de vleugeltjes uit. Wij zweven volstrekt nominatieloos door de ruimte. Wij zijn de astronauten van het prijzencircus. Nooit weigeren wij een prijs, elk bedrag vinden we te hoog. Geld lanceert ons. Wij gaan nooit met pensioen. Wij slepen alle prijzen in de wacht, maar nomineren niemand. Bankrekeningen zijn stripverhalen. Bankrekeningen worden door prijzen geplunderd. Geld is toekomst. De ruimte moet jury worden.
Ruimte als jury van het geld. Bij lintjesregen mag je wensen. Nooit komt er wat uit. Dat hoort zo, uitkomen is poezie voorbehouden. Prijzen komen niet uit. Prijzen bevallen.
Prijzen bevallen uitermate goed. Prijzen nomineren geld aan de ruimte. Bankrekeningen zijn astronauten.
Het miezerige afschrift, de pozie.
Het kleuterlibido van Pom Wolff
Ik geef het grif toe: ik ben van een oudere generatie. Inmiddels ben ik 56 jaar oud en ik heb pas sinds twee jaar een internetaansluiting thuis. Deels gedwongen, omdat het lesgeven tegenwoordig nu eenmaal vereist dat men ook met collega’s kan communiceren met moderne middelen. Ik zat altijd veel liever in mijn vrije tijd met mijn neus tussen de boeken dan voor zo’n glimmend scherm. De tijden veranderen echter en ik surf inmiddels zelf ook regelmatig, meestal lezende over poezie en literatuur.
Maar mensen, was dat even schrikken. Natuurlijk, ook onder dichtbundels zit veel rotzooi, maar dat is meestal tenminste netjes vormgegeven rotzooi. Het niveau van de poezie op het internet was echter voor mij een regelrechte cultuurshock. Plots zag ik wat er gebeurt als je van toch al middelmatige dichters ook nog de redacteuren weghaalt: een grote puinhoop van kibbelende, kinderachtige aandachttrekkers met die hemeltergend slechte poezie met de meest huilerige, infantiele argumentaties vergezeld laten gaan. En dan heb ik het nog niet eens over de grote moot ongepubliceerde en gefrustreerde dichters.
Vandaag bespreek ik een van de meest vervelende en talentloze figuren die ik op het internet ben tegengekomen: Pom Wolff van de site www.pomgedichten.nl
De man verkeert duidelijk in de veronderstelling dat hij komisch is met zijn roddelpoezie, met zijn ‘miljoenen hits per jaar’, met zijn achterlijke snoeppapiergedichten, met zijn 55-jarige puberkop in een eeuwige leren jas gestoken. Slampoezie moet dat heten. Mijnheer denkt ook nog dat hij hip is. Het is toch godgeklaagd dat iemand van zijn leeftijd zich nog als een verwende puber moet gedragen om aandacht te trekken. Dat hij zijn rijmelarijstront over iedereen meent te moeten uitsmeuren omdat geen serieuze uitgever zijn handen aan hem zal branden.
Wat is het toch dat veroorzaakt dat veel 50-jarige mannen zich plots weer als pubers gaan gedragen? Ik denk dat ik hierop het antwoord weet. De 50 jarige kijkt terug op het eigen leven en voelt de dood naderbij komen. Wanneer men niet over afdoende karakter bezit resulteert dit in een paniekerige poging alsnog iets van het leven te maken. Pom Wolff lijkt me zo’n type. Een saaie bureauclerk die toen hij de vijftig passeerde in paniek naar de rommelmarkt toogde om een stoere leren jas te kopen. Iemand die verdomd goed weet dat hij nooit ook maar enige zoden aan de dijk zal zetten op poezievlak en dat maskeert met pseudoruig gedoe en het lastig vallen van vrouwelijke dichters, om te maskeren dat hij eigenlijk het libido totaal ontberen moet.
Nee, alsjeblieft zeg, ik zou mijn eigen kinderen dit zicht op zijn minst willen besparen.
En dan heb ik het nog niet eens over zijn gedichten gehad. Ik laat die bij deze maar liever links liggen.
